Simon Gronowski 'Het ontsnapte kind van transport XX'
Download het verhaal in PDF-formaat
Léon Gronowski wordt op 19 april 1898 in Radziejow geboren. De Joden in Polen hebben het erg moeilijk. Net zoals vele anderen wil Léon, een oud-strijder van de Eerste Wereldoorlog, het antisemitisme ontvluchten. Wanneer hij opnieuw opgeroepen wordt voor het leger, verlaat hij Polen. Na vier maanden in Duitsland weet Léon eind 1921 midden in de nacht de Belgische grens over te steken.
Léon gaat eerst als leerjongen bij een leerbewerker in Schaarbeek aan de slag. Wanneer hij zijn werk verliest, trekt hij naar de mijnen in de Borinage, een steenkoolrijk gebied in de provincie Henegouwen. Het werk is zwaar en gevaarlijk. Na vier maanden geeft Léon zijn ontslag. Hij verhuist naar Luik en staat als leerhandelaar met een kraam op de markt. Ondertussen schrijft Léon brieven aan Chana Kaplan (Jubarkas, °10 december 1902), een meisje dat hij enkele jaren daarvoor in Litouwen heeft leren kennen.
Chana komt in augustus 1923 naar België. Op 17 mei 1924 trouwt zij met Léon Gronowski. Het koppel woont in Grivegnée, dichtbij Luik. Léon werkt er in een fabriek waar steenkoolovens worden geproduceerd. Op 24 september 1924 bevalt Chana van haar eerste kind, een dochter die Ita wordt genoemd. Vijf jaar later verhuist het gezin naar Etterbeek, waar Léon een eigen lederwarenwinkel opent. Op 12 oktober 1931 bevalt Chana in Brussel van een zoon: Simon.
Weggepest en uitgesloten
Op 10 mei 1940 valt Duitsland België binnen. De nazi’s starten bijna meteen met het invoeren van anti-joodse verordeningen. Zo moet Léon zichzelf, Chana en de zestienjarige Ita op 30 november 1940 in het Jodenregister van Etterbeek inschrijven. Simon is te klein. Zijn naam verschijnt alleen op Léons fiche.
In mei 1941 treffen ook de economische maatregelen het gezin Gronowski. In de etalage van hun lederwinkel verschijnt een bordje met “joodse onderneming” erop. Een Duitse controleur komt meerdere keren de boekhouding nakijken. Hun schrijfmachine wordt in beslag genomen. Daarna hun handelswaar. Uiteindelijk verliezen Léon en Chana ook alle meubels.
Vanaf juni 1942 moeten alle joden ouder dan zes jaar de gele ster dragen. Ita schrijft aan een vriendin:
“Ik kan je verzekeren dat het niet echt aangenaam is met die Davidssterren. De mensen bekijken je als een vreemde diersoort, ze staren je aan, meten je met hun blik … In mezelf bescheur ik me van het lachen, maar heel diep vanbinnen, Eliane, zit ik vol bitterheid.”
Opgepakt
In augustus 1942 beslist Léon met zijn vrouw en kinderen onder te duiken op een klein appartementje in Woluwe. Tijdens de winter wordt hij echter zo ziek dat hij naar het ziekenhuis moet. Daardoor is Léon er niet wanneer Chana, Ita en Simon worden opgepakt. Op 17 maart 1943 belt de Sipo-Sd aan. Twee mannen controleren Chana en Ita’s papieren. Ook Simon moet een koffier inpakken en meekomen. Wanneer de nazi’s Chana vragen waar haar man is, antwoord zij hen dat Léon is overleden.
Chana, Ita en Simon worden – na een nacht in de kelders van de Sipo-Sd – naar de Kazerne Dossin in Mechelen gebracht. Daar moeten ze al hun waardevolle spullen en persoonlijke documenten afgeven. Dan worden Chana en Simon van Ita gescheiden en naar een andere slaapzaal gebracht. Moeder en zoon staan op de deportatielijst van transport XX. Ita, die op haar zestiende verjaardag voor de Belgische nationaliteit heeft gekozen, wordt toegevoegd aan de lijst van transport XXII B.
Chana en Simon blijven één maand in SS-Sammellager Kazerne Dossin. Wanneer hij maar kan, springt Simon van het hoogste stapelbed af. Zo oefent hij voor een mogelijke ontsnapping uit de trein. Op 19 april 1943 worden Simon en zijn moeder samen met 1.634 andere joodse mannen, vrouwen en kinderen opgesloten in de beestenwagons van konvooi XX, de trein die hen naar Auschwitz-Birkenau moet voeren.
Overval op Transport XX
Nog diezelfde nacht wordt transport XX overvallen door drie jongemannen : Youra Livschitz, Jean Franklemon en Robert Maistriau. Vlakbij Boortmeerbeek dwingen zij de trein te stoppen. Ze slagen erin een wagon open te breken, zodat 17 Joden kunnen vluchten. Wanneer de trein zich weer in beweging zet, proberen ook de gevangenen in andere wagons zichzelf te bevrijden.
Wanneer Chana haar zoon wekt, staat de deur van hun wagon al open. Zijn moeder duwt de elfjarige Simon naar de deur en dwingt hem uit de rijdende trein te springen. Dankzij de oefeningen in de Kazerne Dossin komt hij goed neer. Hij wacht op zijn moeder, maar dan stopt de trein. Duitse bewakers stappen af. Ze schreeuwen en schieten. Simon vlucht helemaal alleen weg.
Na een nacht van omzwervingen in de bossen belt Simon bij een willekeurig huis aan. Hij vertelt de bewoonster dat hij verdwaald is nadat hij in de buurt met andere kinderen heeft gespeeld. De vrouw stuurt hem naar de veldwachter, die de jongen op zijn beurt naar Jean Aerts, een rijkswachter, brengt. Jean weet heel goed dat Simon een ontsnapte joodse gedeporteerde is, maar besluit hem niet te verklikken.
Simon keert met de trein terug naar Brussel. Hij komt er bij leden van het verzet terecht en ziet ook zijn vader terug. Simon en Léon duiken opnieuw onder, elk op een andere plek, maar ze houden per brief contact. Simon schrijft in juni 1943 aan zijn vader :
“Ik kom niet te dicht bij het venster en doe voor niemand open. Ik ben heel voorzichtig. Mevrouw Delsart is heel tevreden over me en ik hou me rustig. Ik help haar de aardappelen te schillen, met de worteltjes, de bloemkool en de sla. Kortom, ik ben een echte huisvrouw geworden.”
Na de bevrijding worden Léon en Simon herenigd. Samen kijken zij uit naar de terugkeer van Chana en Ita, die vijf maanden na haar moeder en broertje gedeporteerd is. Maar wanneer de berichten over de concentratiekampen binnensijpelen, verliezen zij de moed. Net zoals zoveel anderen hebben ook Chana en Ita hun deportatie niet overleefd. Léon is een gebroken man. Op 9 juli 1945 sterft hij in hun huis in Etterbeek. Simon is een wees van de Holocaust.



