Micheline Weksler “Het kind van de hoop“
Download het verhaal in PDF-formaat
Jakob Weksler wordt op 9 november 1903 in de Poolse stad Czestochowa geboren. De joodse gemeenschap in Polen heeft het erg moeilijk. Daarom besluit Jakob in 1930 naar België te komen. Wanneer zijn zus hem achterna reist, moet Jacob werk zoeken om voor hen beiden te zorgen. Hij begint als kapper in het salon van meneer Jeanlet aan de Auguste Ortsstraat 45 in Brussel. Na een tijdje krijgt Jakob de kans om de kapperszaak over te nemen. Vanaf dan is hij eigen baas.
Op 21 juni 1936 trouwt Jakob Weksler met Irène Bloch (Brussel, °17 januari 1911). De twee hebben elkaar op een bal leren kennen. Op 11 april 1937 wordt hun eerst kind geboren. Het is een jongetje dat zij André noemen. Irène geeft haar baan in haar moeders kantwinkel op en blijft thuis om voor de baby te zorgen. Op 14 maart 1939 bevalt zij van een tweede zoon : Marc.
Duitse controle
Na de Duitse inval in België op 10 mei 1940 krijgt de joodse gemeenschap in ons land het door de anti-joodse maatregelen steeds moeilijker. Ook Jakob, Irène en hun twee zoontjes moeten zich aan de nieuwe regels houden. Zo schrijft Jakob zichzelf, zijn vrouw en de kinderen in december 1940 op bevel van de nazi’s in het Jodenregister in.
De kapperszaak blijft voorlopig open. Begin 1941 neemt Jakob zelfs nieuw personeel in dienst : meneer Dethier. De man is lid van het verzet en ook Jakob raakt betrokken. Hij verdeelt illegale kranten en pamfletten onder zijn klanten en verbergt soms explosieven. Wanneer Dethier op 9 oktober 1941 wordt aangehouden, neemt de Sipo-Sd ook Jakob mee. Ze willen weten wat hij allemaal uitspookt. Door een gebrek aan bewijzen moeten de nazi’s Jakob deze keer laten gaan.
In april 1942 volgt een tweede controle, opnieuw zonder erge gevolgen. De derde keer, in februari 1943, neemt de Sipo-Sd Jakob echter mee voor een grondige ondervraging. Hij bekent niet. Na twee dagen begeleiden twee agenten Jakob naar huis. Hij moet een koffer inpakken. De arrestatie is een hele schok voor de hoogzwangere Irène. De kleine Marc trekt heel hard aan de jas van een van zijn vaders bewakers. Het helpt niet. Jakob wordt naar de Kazerne Dossin in Mechelen gevoerd. De Sipo-Sd laat Irène en de kinderen verder met rust.
Geboren in een klooster
Na Jakobs arrestatie duiken Irène, André en Marc onder. Irène stuurt haar twee zoontjes naar het Heilig Hartklooster in Oudergem. Zelf vindt ze onderdak in een appartement in Brussel. Dan vallen de nazi’s het gebouw binnen. Een van hen opent de deur van de kamer waarin Irène zich schuilhoudt, maar wanneer hij haar ziet, vertelt hij Irène dat ook zijn vrouw zwanger is. Daarna vertrekt hij. Irène wordt verder met rust gelaten. Zo redt de ongeboren baby haar leven. Na dat incident duikt ook Irène in het Heilig Hartklooster onder. Op 1 april 1943 bevalt ze er van een dochtertje : Micheline. Irène stuurt Jakob in Kazerne Dossin een postkaart om hem het goede nieuws te melden.
Wanneer Micheline enkele weken oud is, doet het gerucht de ronde dat er in het Heilig Hartklooster een razzia zal worden gehouden. Irène en de kinderen moeten vertrekken, maar het is moeilijk om een nieuwe plek te vinden waar zij allemaal terecht kunnen. Irène is zo wanhopig dat ze terugkeert naar hun officiële adres aan de Alexandre Bertrandlaan. In het gebouw woont echter een jonge vrouw die een relatie heeft met een Duitser. De conciërge is daarvan op de hoogte en als de Duitser binnenkomt, belt de conciërge Irène om haar te waarschuwen.
Op een morgen meldt de vriendin van de Duitser echter aan de conciërge dat zij een baby in het gebouw heeft horen huilen, een baby die zij niet kent. Irène en de kinderen lopen gevaar en moeten opnieuw verhuizen. Zo zullen zij de hele oorlog lang van het ene onderduikadres naar het andere trekken.
Op bezoek
Jakob krijgt ondertussen te horen dat hij in de Kazerne Dossin mag blijven. Hij zal niet gedeporteerd worden. De vorige kapper van het kamp is vrijgelaten en de bewakers duiden Jakob als vervanger aan. Hij wordt er goed gevoed en verzorgd, en heeft de vrijheid om veel dingen te doen die anderen niet mogen, zoals brieven versturen. Jakob wordt zo een tussenpersoon. Via codewoorden zoals “brood” en “jam” vraagt hij Irène bepaalde spullen voor andere gevangenen mee te brengen.
Ondanks het grote gevaar, gaat Irène meermaals bij Jakob in de Kazerne Dossin op bezoek. Ze staat op een goed blaadje bij kampcommandant Hans Frank en de andere Duitsers. Howel ze niet altijd toelating heeft om Jakob te bezoeken, kan ze toch gewoon binnen en buiten wandelen. Uiteindelijk durft Irène zelfs haar zoontjes en de pasgeboren Micheline mee te nemen. Zo ziet Jakob Weksler zijn dochter voor de eerste keer, binnen de muren van Kazerne Dossin.
Doordat de geallieerde legers snel dichterbij komen, slagen de nazi’s er in september 1944 niet meer in de laatste gevangenen uit Kazerne Dossin naar Auschwitz te deporteren. Jakob wordt daardoor op 3 september 1944 bevrijd. Het gezin Weksler heeft erg veel geluk gehad. Zij overleven allemaal de oorlog en worden herenigd.



