Michel en Salomon Goldberg 'Een nacht in Kazerne Dossin'
Download het verhaal in PDF-formaat
Szmerel Goldberg wordt op 1 april 1893 in het Poolse Praga geboren. Eind 1923 komt hij samen met zijn echtgenote, Maria Rotenberg (Miedzyrzec, °15 juli 1899), via Duitsland naar België. Het echtpaar heeft dan al een zoon : Heinrich is op 27 maart 1923 in Hamborn geboren. In België breidt het gezin Goldberg met de geboorte van Adolphe (Charleroi, °18 september 1927), Michel (Jumet, °28 maart 1930) en Salomon (Anderlecht, °25 januari 1936) verder uit.
In maart 1937 verhuizen Szmerel, Maria en hun vier zonen naar de Leeuwerikstraat 44 in Antwerpen, waar ze – midden in de joodse wijk – een koosjere slagerij openen. Heinrich, Adolphe en Michel volgen les aan de stedelijke school. Vanaf 1939 gaat Heinrich naar het Koninklijk Atheneum. De jongens Goldberg hebben een brede vriendenkring en bezoeken ook de niet-joodse uitgaansbuurt en niet-joodse sportclubs.
Anti-joodse maatregelen
Tijdens de Duitse inval in mei 1940 sluit Szmerel voor korte tijd zijn slagerij. Veel mensen zijn uit angst voor de nazi’s naar Frankrijk gevlucht, waardoor de handel stilvalt. De Goldbergs zelf besluiten in België te blijven. Pas wanneer de meeste vluchtelingen terugkeren en het gewone joodse leven hervat wordt, openen zij opnieuw hun slagerij.
In de herfst van 1940 worden de eerste anti-joodse verordeningen ingevoerd. Zoals de nieuwe Duitse wetten bevelen, schrijft Szmerel zichzelf, zijn echtgenote Maria en zijn oudste zoon Heinrich op 14 december 1940 in het Jodenregister van Antwerpen in. Adolphe, Michel en Salomon zijn te jong, zodat hun namen op de fiche van hun vader worden bijgeschreven.
Op 1 december 1941 verbieden de nazi’s joodse kinderen verder les te volgen aan niet-joodse scholen. Heinrich mag niet meer aan het tweede semester in het Koninklijk Atheneum beginnen en gaat daarom als koerier voor zijn vader aan de slag. Adolphe en Michel, die les volgen aan de stedelijke school, en Salomon, die naar de kleuterklas gaat, mogen hun jaar wel nog afmaken.
Vanaf mei 1942 is ook het dragen van de Jodenster voor alle joodse mannen, vrouwen en kinderen ouder dan zes jaar verplicht. Maria naait het felgele symbool op alle bovenkleding van de gezinsleden. Voortaan zijn ze op straat meteen herkenbaar als Joden.
Een half gezin
Op 5 augustus 1942 verlaat Heinrich Goldberg op bevel van de nazi’s het huis van zijn ouders. Samen met 2.251 andere werkbekwame, joodse mannen uit België wordt hij naar het noorden van Frankrijk gedeporteerd. Hij moet er werken op de werven van Organisation Todt. Op 31 oktober 1942 vertrekt Heinrich met transport XVI vanuit Frankrijk naar Auschwitz-Birkenau, waar hij op 3 november aankomt. Als werkbekwame jongeman mag Heinrich het kamp binnen, maar begin 1943 wordt hij toch naar de gaskamers gestuurd.
Ondertussen wachten Szmerel, Maria, Adolphe, Michel en Salomon in België angstig af. Op de avond van 15 augustus 1942 wordt een deel van de joodse wijk in Antwerpen getroffen door een razzia. De Duitsers kloppen ook aan bij het gezin Goldberg. Hun bovenbuurvrouw, mevrouw Sabo, doet open, maar omdat zij uit Hongarije komt – een land dat een bondgenoot van Duitsland is – wordt ze niet meegenomen. Wanneer de nazi’s vragen of er verder nog iemand op de benedenverdieping woont, antwoordt mevrouw Sabo dat daar niemand is. Zo ontkomen de Goldbergs die nacht aan hun arrestatie.
Maar hun geluk blijft niet duren. Op 12 september 1942 worden Szmerel, Maria en de jonge Salomon ’s nachts door de Duitsers uit hun bed gehaald. Adolphe en Michel zijn niet thuis en ontsnappen zo aan de arrestatie. Maria en Salomon worden de volgende dag weer vrijgelaten omdat het jongetje ziek is geworden, maar voor Szmerel is er geen hoop meer. Op 26 september 1942 vertrekt hij met konvooi XI vanuit de Kazerne Dossin naar Auschwitz-Birkenau.
Maria stuurt Adolphe, Michel en Salomon eind september 1942 naar haar zus Krajndla in Brussel. Zelf blijft ze in Antwerpen om te proberen Szmerel vrij te krijgen. Het helpt echter niet. Maria wordt zelf opnieuw gearresteerd en naar de Kazerne Dossin gebracht. Op 10 oktober 1942 vertrekt zij met transport XII naar Auschwitz-Birkenau. Maria overleeft haar deportatie niet.
Marie Albert
Tante Krajndla kan zelf niet voor haar drie neefjes zorgen. Daarom helpt ze de vijftienjarige Adolphe onderduiken en stuurt ze Michel en Salomon naar het weeshuis van Wezembeek-Oppem. Dit tehuis valt onder de verantwoordelijkheid van de Jodenvereniging van België en staat onder Duitse controle. De directrice is een jonge, joodse vrouw : Marie Albert.
Kort na zijn aankomst in het tehuis belandt Michel met een besmettelijke infectie op de ziekenzaal. Daar vinden de nazi’s hem wanneer zij het home in de namiddag van 30 oktober 1942 binnenvallen. Iedereen moet mee naar de Kazerne Dossin. De kinderen en hun begeleiders zullen dezelfde avond nog gedeporteerd worden. Wanneer de kampcommandant in Mechelen te horen krijgt dat Michel en een tweede zieke, Jacob, besmettelijk zijn, besluit hij hen vrij te laten. De jongens mogen uitrusten in het wachtlokaal van de bewakers.
Marie Albert zoekt Michel en Jacob ’s avonds op en vertelt dat zij twee terug mogen naar Brussel. De anderen moeten vertrekken naar een voor hen onbekende bestemming. Michel vraagt wat er met Salomon zal gebeuren en Marie Albert antwoordt dat hij met de groep op de trein zal stappen. Daarop begint Michel te huilen. Een officier in de wachtpost probeert hem te kalmeren. Er wordt, zo zegt de officier, nog onderhandeld over hun situatie.
Er is inderdaad nog hoop. Op het moment van de inval in het tehuis heeft Marie Albert een van de niet-joodse werksters, Julia Dehaes, gevraagd het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn te waarschuwen. Via een heel netwerk dat tot aan het koninklijk hof in Laken reikt, wordt er onderhandeld over het lot van de kinderen uit Wezembeek-Oppem. In de vroege ochtend van 31 oktober 1942 wekt Marie Albert Michel en Jacob met de boodschap dat zij en alle anderen vrij zijn.
“Maman” Taquet
Op 17 april 1943 viert Michel Goldberg in het tehuis van Wezembeek-Oppem nog zijn Bar Mitswa. Nauwelijks een maand later laat het Joods Verdedigingskomiteit hem en zijn broertje Salomon onderduiken in Home Reine Elisabeth in Jamoigne. Deze vakantiekolonie wordt geleid door majoor Emile Taquet en zijn echtgenote Marie Mertens die door de jongens “maman” Taquet wordt genoemd. In totaal zullen de Taquets 86 joodse kinderen verstoppen. Elk van hen draagt een valse naam. Michel en Salomon Goldberg worden zo Michel en Jacques Gobert.
De jongens worden in het home ingedeeld in groepen, zoals bij de scouts. Michel hoort bij de Grand Hêtre (grote beuk). Omdat hij zijn joodse wortels niet wil verloochenen, bidt hij ’s avonds in bed in het Hebreeuws en probeert hij zich de data van belangrijke joodse feestdagen te herinneren. Om niet op te vallen doet hij ook mee aan de activiteiten. De dokter moet zelfs enkele keren komen om hem op te lappen, één keer voor een hoofdwonde als gevolg van het speerwerpen.
In december 1944 wordt Jamoigne door het Amerikaanse leger bevrijd. Veel van de niet-joodse vakantiegangers zijn dan al vertrokken en ook de joodse kinderen worden een voor een afgehaald. Michel en Salomon verlaten het tehuis op 1 mei 1945. Michel trekt in Brussel bij hun oudere broer Adolphe in. Samen beslissen zij om de negenjarige Salomon voorlopig terug te sturen naar het tehuis in Wezembeek-Oppem. Zij kunnen niet voor hem zorgen.
Wanneer de berichten over de concentratiekampen binnenstromen, lijkt het erop dat Adolphe, Michel en Salomon hun oudste broer Heinrich, hun moeder en hun vader nooit meer terug zullen zien. Op een dag ontdekken ze echter toch Szmerels naam op een lijst van gerepatrieerden. Op 6 juni 1945 worden de zonen met hun vader herenigd.



