Hulp aan Joden, een lichtpunt
Mannen en vrouwen uit alle lagen van de bevolking, joods én niet-joods, reageren op de wreedheid van de vervolgingen. Zij proberen verdedigingsmechanismen te ontwikkelen. De links-zionistische arbeiderspartij publiceert de eerste Jiddische sluikkrant, Unzer Vort (Ons Woord) en waarschuwt de Jodenraad: "De tijd dat we ons kalm onderwerpen aan de bevelen van de nazi's, is voorbij."
Een groot deel van de Belgische bevolking wordt gealarmeerd door de gele ster die plots massaal in het straatbeeld verschijnt. Op 5 juni 1942 stelt de "Bijeenkomst van de Burgemeesters van Brussel" de Oberfeldkommandantur ervan op de hoogte dat de gemeentelijke diensten zullen weigeren de gele ster in de hoofdstad te verdelen. Sluikkranten roepen de bevolking op tot solidariteit. La Libre Belgique, clandestien heropgericht in 1940, schrijft: "Burgers, uit haat voor het nazisme en uit loyaliteit voor jezelf, doe wat je nog niet gedaan hebt: groet de joden."
De razzia's van 1942 drijven duizenden joden in de illegaliteit, zij duiken onder. Ami du Peuple, de spreekbuis van de Anti-Joodse Liga, zet zijn lezers ertoe aan om joden te verklikken.
Maar er zijn ook Belgen die de joden helpen onderduiken. Velen doen dit op eigen initiatief, zij bieden joden een schuilplaats aan op hun zolder, in hun kelder, … Maar geleidelijk groeien er ook netwerken en organisaties die systematisch zoveel mogelijk joden uit de klauwen van de nazi’s proberen te houden.
Het Comité de Défense des Juifs
Communistische en links-zionistische militanten richten in september 1942 een Joods Verdedigingscomité (Comité de Défense des Juifs - C.D.J.) op. Dit comité wordt snel uitgebreid naar andere middens en vindt onderdak bij de belangrijkste nationale verzetsbeweging, het Onafhankelijkheidsfront (OF). De hoogste prioriteit van het C.D.J. is "het redden van de kinderen, die achtergelaten zijn door hun ouders als gevolg van de deportatie en die dreigen hetzelfde lot te ondergaan".
Het C.D.J. richt een sociale dienst op die functioneert op nationaal vlak. De afdeling 'kinderen' is verantwoordelijk voor het verbergen en onderhouden van de ondergedoken kinderen. De medewerking die C.D.J. bij de niet-joodse bevolking ontmoet is zeer groot. Dankzij 'ongewapende verzetsstrijders' redt het C.D.J. alleen al meer dan 3.000 kinderen van de deportatie. De tol is echter hoog. Vele leden van de C.D.J. worden gearresteerd, evenals talrijke medewerkers.
Het C.D.J. neemt ook deel aan verzetsactiviteiten op nationaal vlak, zoals de sluikpers. De krant van de C.D.J. in Charleroi, Unser Kampf, publiceert in juni 1943 een getuigenis van twee Antwerpse joden die ontsnapten uit een werkkamp in Opper-Silesië. Zij doen volgende oproep: "Wij, joden, hebben niets te verliezen! We komen liever op voor onszelf door hier te vechten, met wapens in onze handen, dan het risico te lopen om tijdens een razzia opgepakt te worden en naar Auschwitz te moeten!"
De Partizanen
Ook het gewapend verzet, waaraan Joden deelnemen, speelt een eminente rol. De partizanen schakelen Duitsers uit, overvallen postkantoren en gemeentehuizen of blazen spoorlijnen op.
Zo wordt op 25 juli 1942 het steekkaartensysteem dat de JVB gebruikte voor de zogenaamde “Arbeidsmobilisatie”, verbrand door joodse Partizanen. Een kopie van het systeem werd echter al aan de bezetter bezorgd. Op 29 augustus schieten joodse Partizanen de joodse verantwoordelijke voor de "Arbeidsmobilisatie" van de JVB dood.
Een unieke gebeurtenis in de annalen van de Europese deportatie is de aanval op het XXste konvooi. Op 19 april 1943 verlaat voor de twintigste keer een trein de Kazerne Dossin met ‘onbekende bestemming’. 1631 gedeporteerden worden meegevoerd, bewaakt door zo’n veertig mannen van de Schutzpolizei. Rond 23u rijdt de trein aan verminderde snelheid door een bocht in Boortmeerbeek. Op die plek wordt de trein gestopt door drie jonge mannen, Youra Livschitz, Jean Franklemon en Robert Maistriau.
Om de trein tegen te houden hebben ze een stormlamp, overdekt met rood papier, op de sporen gezet. Ondanks het geweervuur slagen de jongemannen erin een wagon te openen en zeventien gedeporteerden te bevrijden. Dan zet de trein zich terug in beweging. Later die nacht zullen echter nog meer gevangenen uit de traag rijdende trein kunnen springen. Uiteindelijk ontsnappen 233 joden uit het XXste konvooi. Niettemin blijkt deze ontsnapping een uiterst riskante onderneming: de dag nadien werden naast de spoorlijn drieëntwintig lijken aangetroffen, neergeschoten op de vlucht of bezweken aan hun verwondingen door de sprong. Uiteindelijk overleefden 119 personen hun vlucht uit dit konvooi.
Een andere noemenswaardige heldendaad dateert van 19 mei 1943. Toen redden de Partizanen o.l.v. Paul Halter 15 joodse meisjes. Hun schuilplaats in het klooster Le Très Saint Sauveur in Anderlecht was namelijk ontdekt door de joodse verrader Gros Jacques die in opdracht van de Sipo-Sd andere joden uitleverde. Het verzet is toen in actie gekomen en heeft de meisjes geëvacueerd naar veiligere oorden.
Rechtvaardigen onder de Naties
In de Talmoedtraditie staat geschreven: "Hij die één leven redt, redt de hele mensheid." Na de oorlog werden de mannen en vrouwen die hun leven hadden geriskeerd om Joden te beschermen dan ook bedacht met de eretitel: "Rechtvaardigen onder de Naties". Zij zijn diegenen die ervoor zorgen dat men, ondanks alles, in de mensheid mag blijven geloven. Deze titel is een officiële erkenning uitgereikt door Yad Vashem in de naam van de staat Israël.
Mevr. Yvonne Névejean, Directeur van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn, Mevr. Andrée Geulen, Mevr. Madeleine Sorel, Pater Joseph André, Dom Bruno, de zusters van Le Très Saint-Sauveur, Dhr. Henri Ovart, directeur van de Gatti de Gamond-kostschool en vele anderen kregen deze titel omwille van hun inzet voor Joodse kinderen en volwassenen tijdens Wereldoorlog II.
Ook koningin Elisabeth kreeg deze titel toegekend. Haar bemiddeling bij de Duitse legerleiding resulteerde in de redding van vele Belgische kinderen en oude mensen.
De tekst werd geschreven in samenwerking met Laurence Schram.



