De familie Poler 'Een reddingsactie : het klooster van de Allerheiligste Verlosser'
Download het verhaal in PDF-formaat
Zelik Poler wordt op 19 oktober 1908 in de Poolse hoofdstad Warschau geboren. In februari 1929 verhuist hij samen met zijn ouders, broer en zussen naar Anderlecht. Het gezin opent er een atelier waar ze lederwaren maken. Zelik probeert ondertussen zijn verloofde, Salomea Fejnman (Warschau, °17 januari 1908), naar België te laten komen. Met succes. In februari 1930 arriveert zij in ons land. Precies negen maanden later, op 6 november 1930 wordt het eerste kind van Zelik en Salomea in Vorst geboren, een dochtertje dat zij Fanny noemen.
Fanny krijgt er al snel zusjes en een broertje bij. Op 8 februari 1932 wordt in Vorst Rosette Poler geboren. Abraham Poler komt op 4 november 1933 eveneens in Vorst ter wereld. Na de geboorte van een derde dochtertje, Jeannine, op 6 juni 1936, ruilt het gezin de Rue de l’Instruction 113 in Anderlecht voor de Kliniekstraat 51 in hetzelfde deel van Brussel. Daar bevalt Salomea op 10 juli 1938 van haar laatste kind : Lilia. Zelik Poler zal de tweede verjaardag van zijn jongste dochtertje niet meer met zijn gezin vieren. In oktober 1939 migreert hij naar Venezuela.
De meisjes Poler ontdekt
Wanneer Duitsland op 10 mei 1940 België binnenvalt, staat Salomea er alleen voor. Daarna drijven de anti-joodse maatregelen de joodse gemeenschap in ons land al snel steeds meer in het nauw. In 1942 besluit Salomea daarom uit te kijken naar een onderduikadres voor haar kinderen. Priester Jan Bruylants, pastoor van de parochie van de Onbevlekte Ontvangenis in Kuregem (Anderlecht), bemiddelt voor hen. Tegen het einde van de zomer van 1942 worden Fanny, Rosette, Jeannine en Lilia Poler door het Joods Verdedigingskomiteit in het Klooster van de Allerheiligste Verlosser aan de Clemenceaulaan in Anderlecht geplaatst. Dat is niets te vroeg, want op 3 en 4 september organiseren de nazi’s een razzia in Brussel.
Toch zijn de zusjes Poler niet veilig. Op 20 mei 1943 brengt de Sipo-Sd samen met de verklikker Icek Glogowski – beter bekend onder zijn bijnaam "Dikke Jacques" een bezoek aan het Klooster van de Allerheiligste Verlosser. Ze willen de zusjes Poler, de andere tien joodse meisjes die er ondergedoken zitten en hun joodse begeleidster, Renée Gutki, meteen meenemen. De kleine Lilia Poler is blij, want één van de mannen heeft haar gezegd dat zij met haar moeder herenigd zal worden. In realiteit wacht de meisjes de deportatie en een zekere dood in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau.
De Zusters willen het groepje niet laten gaan en smeken de mannen van de Sipo-SD om de kinderen nog één nacht in het klooster te laten, zodat ze de bezittingen van de meisjes in kunnen pakken. Wonder boven wonder stemmen de mannen van de Sipo-Sd toe, maar zij zullen de volgende dag terugkeren en dreigen ermee de nonnen mee te nemen als de kinderen dan verdwenen zouden zijn.
Overval op het klooster
Het nieuws van de ontdekking en arrestatie van de veertien joodse meisjes en hun begeleidster komt Paul Halter, commandant van de Partizanen, ter ore en hij besluit in te grijpen. Bij het vallen van de duisternis op 20 mei 1943 ontmoeten zes verzetsstrijders elkaar voor het klooster van de Allerheiligste Verlosser in Anderlecht. Dit is erg gevaarlijk, want zij weten niet of de Sipo-Sd een wachtpost bij het gebouw heeft neergezet om te voorkomen dat de joodse meisjes vluchten.
De groep belt aan en een wantrouwige non doet open. Halter schuift meteen zijn voet tussen de deur, trekt zijn revolver en dringt het gebouw binnen. De verzetsmannen dwingen de nonnen om de meisjes wakker te maken. De kleintjes huilen en schreeuwen, bang geworden door al het lawaai, totdat hun begeleidster, mevrouw Gutki, hen uitlegt dat de mannen geen nazi’s zijn. De meisjes kalmeren en Gutki kleedt hen met de hulp van de nonnen aan. Daarna worden de Zusters op hun eigen vraag vastgebonden, zodat ze niet van medeplichtigheid aan de ontsnapping kunnen worden beschuldigd.
De verzetsmannen brengen de kinderen in groepjes van drie naar een appartement aan de Nieuwlandstraat, waar de ouders van de verzetsman Bernard Fenerberg voor de razzia in Brussel hebben gewoond. Dat is natuurlijk gevaarlijk, maar de nazi’s hebben het appartement nog niet in gebruik genomen en Fenerberg heeft geen reden om aan te nemen dat de nazi’s dat op de avond van 20 mei 1943 wel zullen doen. Tijdens de wandeling er naartoe, moeten de meisjes ver uit elkaar lopen, zodat het lijkt alsof zij niet bij elkaar horen en toevallige voorbijgangers geen argwaan krijgen.
De verzetsmannen leggen de meisjes in bed, maar doen zelf uit angst om ontdekt te worden geen oog dicht. De volgende ochtend halen leden van het Joods Verdedigingskomiteit de meisjes op en verbergen hen op een veilige plaats.
Op het nippertje ontsnapt
In de ochtend van 21 mei 1943 keert de Sipo-Sd terug naar het Klooster van de Allerheiligste Verlosser in Anderlecht om het groepje joodse meisjes en hun begeleidster op te halen. De nazi’s ontdekken de vastgebonden nonnen in de kelder en kunnen niet bewijzen dat zij betrokken waren bij de reddingsactie. De Sipo-Sd, woedend over deze afloop, druipt af. De Zusters worden verder met rust gelaten.
Fanny, Rosette, Jeannine en Lilia Poler duiken voor een tweede keer onder. Zij en hun broer Abraham overleven zo allemaal de oorlog. Hun moeder zien zij echter nooit meer terug. Salomea is op 24 september 1942 gearresteerd en naar de Kazerne Dossin in Mechelen overgebracht. Twee dagen later al, op 26 september 1942, is zij met transport XI naar Auschwitz-Birkenau vertrokken. De trein komt daar op 28 september aan. Salomea Fejnman overleeft haar deportatie niet.



