Armand Schmidt 'Een baby in Ciney'

Download het verhaal in PDF-formaat

Markus Schmidt wordt op 11 juli 1901 in het Poolse stadje Sieniawa geboren. Wanneer hij 25 is, besluit hij te emigreren. Markus komt op 1 december 1926 in België aan. Eind jaren 1920 komen ook zijn ouders over. Met zijn drieën delen zij een appartement in Antwerpen.

Markus’ toekomstige vrouw, Rosy Kolinski, wordt op 19 juni 1903 in Frankfurt am Main geboren. Ze heeft één broer, Berthold, en één zus, Bella. Rosy voelt zich een joodse Duitse, geen Duitse joodse, en houdt van de Duitse cultuur en Pünktlichkeit. Ze spreekt wel Jiddisch maar verkiest het Duits. In 1933 komt Rosy naar België. Haar zuster Bella, diens man, Akiwa Posser, en hun twee dochters, Helena en Fanny Dora, wonen al sinds 1923 in ons land. Nog datzelfde jaar leert Rosy Markus Schmidt kennen. De twee verloven zich en op 12 december 1933 trouwen zij.

Op 27 januari 1937 krijgen Markus en Rosy een eerste kind, een dochtertje dat zij Rachel noemen. Tijdens de bevalling gaat echter iets mis, waardoor het meisje gehandicapt is. Ze heeft veel zorg nodig, een taak die Rosy op zich neemt. Markus baat een eigen diamantzaak uit.

Een weggevoerde vader

Wanneer Duitsland op 10 mei 1940 België binnenvalt, besluiten Markus’ ouders en zussen die in België wonen met hun gezin naar Frankrijk te vluchten. Markus en Rosy zijn de enigen die niet mee gaan. Door Rachels wankele gezondheid zou de tocht naar Frankrijk haar fataal kunnen worden. Het gezin besluit in hun appartement aan de Lange Leemstraat in Antwerpen te blijven en af te wachten.

Vanaf oktober 1940 volgen de anti-joodse maatregelen elkaar in hoog tempo op. Ook Markus, Rosy en Rachel houden zich aan de nieuwe wetten. Zo schrijft Markus zichzelf, zijn echtgenote en zijn dochter op 20 december 1940 in het Antwerpse Jodenregister in.

Het gezin Schmidt wordt vooral zwaar getroffen door het besluit dat de bezetter op 8 mei 1942 neemt. 2.252 werkbekwame joodse mannen uit België worden opgeëist voor de deportatie naar het noorden van Frankrijk. Zij moeten er op de werven van Organisation Todt werken, de organisatie die verantwoordelijk is voor de bouw van de Atlantische muur.

Ook Markus ontvangt een oproepingsbevel voor deze verplichte arbeid. Hij vertrekt in de zomer van 1942. Rosy – op dat moment zwanger van hun tweede kind – zal haar man nooit meer terugzien. Op 31 oktober 1942 wordt Markus vanuit het noorden van Frankrijk naar Auschwitz-Birkenau gevoerd. Hij zal zijn deportatie niet overleven.

 Een achterdeurtje

Na het vertrek van haar man en de eerste razzia’s in Antwerpen in augustus 1942, start Rosy de moeizame zoektocht naar een geschikt onderduikadres voor haar dochter Rachel. Ze kijkt uit naar een plek waar het meisje niet zal opvallen. Rosy’s oog valt op het Institut Enfant Jésus in Ciney, waar gehandicapte kinderen worden verzorgd. De Pauvres Soeurs de Mons nemen Rachel op.

Nadat haar dochter is ondergedoken, blijft Rosy alleen achter. Op 6 december 1942 bevalt zij van een tweede kind : Armand Abraham. Rosy woont op dat moment nog steeds op haar officiële adres : de Van Breestraat 9 in Antwerpen. Dat blijkt erg gevaarlijk.

Op een dag eind januari of begin februari 1943 – Armand is al een paar weken oud – kloppen de nazi’s aan Rosy’s deur. Ze bevelen haar haar spullen te pakken en mee te komen. Terwijl Rosy alles inpakt, lopen de indringers door het appartement op zoek naar waardevolle spullen. Rosy blijft koelbloedig en glipt met Armand in een deken gewikkeld door de achterdeur weg. Ze verstopt zich een tijdje bij kennissen in Antwerpen en gaat daarna naar het instituut in Ciney. Ze smeekt de Zusters om ook voor Armand te zorgen, een taak die zij aanvaarden.

Brieven en postkaarten

Wanneer haar beide kinderen veilig zijn, neemt Rosy een valse identiteit aan en verhuist naar Brussel. Ze gaat er aan de slag bij een notaris. Rosy probeert haar kinderen elke week op te zoeken in het instituut in Ciney, maar soms waarschuwen de Zusters haar dat het niet veilig is.

Naast Rosy’s wekelijkse bezoekjes, stuurt Zuster Marie Véronique haar brieven en postkaarten waarin ze de groei van Rachel en de kleine Armand beschrijft. De Zuster stuurt die post voor de veiligheid naar de postbus van een zekere mevrouw De Greef in Brussel. Rosy knipt op haar beurt de stempels van het instituut uit de brieven en postkaarten om te voorkomen dat het onderduikadres van haar kinderen uitlekt.  

Op 9 februari 1943 overlijdt Rachel Schmidt in het Institut Enfant Jésus in Ciney aan de gevolgen van haar handicap. Hoewel ze joods is, wordt ze er op het kerkhof begraven. Haar grafsteen draagt enkel haar naam en een davidsster. Ondertussen groeit Armand als kool. Hij is de chouchou van sommige zusters en wordt door het personeel en de bewoners vertroeteld.

De bevrijding in september 1944 brengt geen verlossing voor Rosy. Niet alleen haar man is gedeporteerd. Ook haar moeder, haar zus Bella, schoonbroer Akiwa, nichtjes Helena en Fanny Dora, broer Berthold en diens echtgenote zijn omgekomen in de Holocaust. Rosy registreert zich officieel in Brussel, maar Armand blijft nog tot begin 1946 bij de Zusters in Ciney. Zijn moeder heeft nog niet voldoende middelen om opnieuw voor hem te zorgen. Op 13 februari 1946 verhuizen moeder en zoon uiteindelijk samen terug naar Antwerpen.

Huwelijksfoto van Markus Schmidt en Rosy Kolinski, 1933.
Huwelijksfoto van Markus Schmidt en Rosy Kolinski, 1933.
Armand en zijn moeder tijdens een van Rosy’s bezoekjes, Ciney 1943.
Armand en zijn moeder tijdens een van Rosy’s bezoekjes, Ciney 1943.
Voorzijde van de brief die Zuster Marie Véronique in december 1943 aan Rosy stuurt.
Voorzijde van de brief die Zuster Marie Véronique in december 1943 aan Rosy stuurt.
Achterzijde van de brief die Zuster Marie Véronique in december 1943 aan Rosy stuurt.
Achterzijde van de brief die Zuster Marie Véronique in december 1943 aan Rosy stuurt.
Zuster Marie Véronique.
Zuster Marie Véronique.
Armand en zijn moeder, Blankenberge 1946.
Armand en zijn moeder, Blankenberge 1946.