1. De opdracht van de Vlaamse regering
De Vlaamse regering besliste op 29 juni 2001 een ‘Vlaams Holocaustmuseum’ op te richten. Deze opdracht omvatte zowel een materiële als een inhoudelijke verruiming van het bestaande Joods Museum van de Deportatie en het Verzet (JMDV). De inhoudelijke verruiming kreeg een synthese in de nieuwe titel van het museum: Kazerne Dossin: Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten.
De Advisory Board met buitenlandse experts drukte tijdens het werkbezoek van 9 november 2009 zijn verbazing uit over de idee om ook een “museum van de mensenrechten” te maken, en dit bovendien gekoppeld aan een memoriaal en museum over de Holocaust. Het mensenrechtengedachtegoed is dynamisch, het evolueert, en het lijkt ook steeds meer een metafoor te worden voor alle grote maatschappelijke problemen. Is zulk een ‘museum over de grote problemen van vandaag de dag’ wel denkbaar? Nergens ter wereld is zoiets operationeel, aldus nog deze experts. Verder stelden ze ook de vraag hoe zulke invalshoek kan worden verdedigd op de plaats van een memoriaal voor de slachtoffers van de Judeocide in België. De 25.835 slachtoffers die in Dossin worden gememoreerd kunnen niet op die eigenste locatie worden ingeschakeld in hedendaagse politieke debatten.
We zijn ons uiteraard bewust van de grote complexiteit van de introductie van de ‘mensenrechten’ in het globale concept, maar wensen deze opdracht geenszins uit de weg te gaan. Duidelijk is wel dat we moeten vertrekken van een conceptueel doordacht, coherent en goed afgelijnd mensenrechtenconcept, en ook rekening moeten houden met het feit dat het in de site te Mechelen om een ‘plaats van herinnering’ gaat voor een genocidaal misdrijf dat een begin van uitvoering kreeg op Belgisch grondgebied.
In korte parlementaire debatten werden vooral de termen ‘racisme’ en ‘uitsluiting’ gebruikt. Toenmalig minister-president Yves Leterme herhaalde dit toen hij stelde dat Kazerne Dossin “de democratische wortels van onze samenleving [moet] versterken”. Op 5 april 2006 verklaarde hij dat Dossin een werking moet ontwikkelen “die de bredere problematiek van volkerenmoord en racisme ook in de meer recente geschiedenis kunnen belichten” als basis voor “verdraagzaamheid en intercultureel en interreligieus begrip”. Bij de herdenking van de sabotage van het XXste transport op 6 mei 2007 te Boortmeerbeek, stelde dhr. Leterme dat Kazerne Dossin een project moet worden voor een publiek “dat zich wil verdiepen in de Holocaust en in de problematiek van racisme en uitsluiting”.
De tafelrede van minister-president Kris Peeters op 9 november 2009, bij de afsluiting van het werkbezoek de Advisory Board, sloot naadloos bij dit alles aan: “Uw musea en instituties moeten lichtende bakens blijven bij een niet aflatende zorg en aandacht voor een democratisch samenleven zonder haat en onderscheid om redenen van ras, cultuur of religie. Dit moet ook vandaag in een multiculturele en open internationale economische wereldruimte onze aandacht gaande houden en daarom hebben wij Kazerne Dossin die dubbele dimensie willen geven : Holocaust en Mensenrechten; herinnering en educatie.”
‘Racisme’ en ‘uitsluiting’ zijn dus sleutelconcepten bij de uitwerking van het thema van de mensenrechten in de permanente tentoonstelling, terwijl ook het pedagogische concept van de herinneringseducatie vooropstaat.



